AFM bepaalt: advies op onafhankelijke basis omvat 60% aanbieders

Advies op onafhankelijke basis moet circa 60% van het totaal aantal aanbieders in beschouwing nemen met een maximum aantal van 20. Dat vindt de AFM, die is gestart met de consultatie van wijzigingen in de Nadere gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft. De toezichthouder: “Wij realiseren ons terdege dat wij met deze aanpak inzetten op eenvoudig vastgestelde grenswaarden. Echter, ervaringen met het dienstverleningsdocument maken dat een versimpeling noodzakelijk is. Daarnaast zijn wij van oordeel dat een dergelijke versimpeling van de methodiek voldoende recht doet aan artikel 86f, tweede lid, BGfo.”

Met de introductie van advies op onafhankelijke basis komt de eerdere verplichting om te informeren of een advies geschiedt op grond van een objectieve analyse te vervallen. Het eerste criterium voor advies op onafhankelijke basis is een open norm die stelt dat de financiële dienstverlener een toereikend aantal op de markt verkrijgbare financiële producten beoordeelt die voldoende divers zijn wat type en aanbieder betreft, zodat een voor de consument of cliënt geschikt product kan worden geadviseerd.De minister heeft aangegeven dat de AFM het beste zicht heeft op de marktomstandigheden en daarom het beste nadere invulling aan deze norm kan geven.

Niet nog ingewikkelder maken

De toezichthouder: “Het toevoegen van de nieuwe elementen ‘voldoende divers wat type en aanbieder betreft’ aan de huidige methodiek, zou de bestaande methodiek die al ingewikkeld is, nog ingewikkelder maken. Daarom wordt bijlage 7 Nrgfo herzien, met vereenvoudiging als doel. In plaats van te werken met variabele grenswaarden, wordt in deze nieuwe methodiek vastgesteld of er sprake is van advies op onafhankelijke basis op basis van een combinatie van twee vaste grenswaarden.

Deze twee vaste grenswaarden per productsoort zijn vastgesteld op basis van aantallen producttypes en aanbiedersaantallen. Door twee vaste grenswaarden op basis van aantallen producttypes en aanbiedersaantallen vast te stellen, volgt automatisch welk minimumaantal producten per productsoort kwalificeert als een toereikend aantal op de markt verkrijgbare financiële producten die voldoende divers zijn wat type en aanbieder betreft. Een combinatie van twee vaste grenswaarden wil hier zeggen, dat aan beide grenswaarden moet worden voldaan. Indien de financiële dienstverlener in meerdere productsoorten, bijvoorbeeld uitvaartzekeringen en overlijdensrisicoverzekeringen, actief is, moet voor elke productsoort worden voldaan aan het criterium. Alleen zo kan worden geborgd dat de financiële dienstverlener per productsoort voldoende producten kan vergelijken.”

Voor het vaststellen van twee vaste grenswaarden op basis van aantallen producttypes en aanbiedersaantallen heeft de AFM gekeken naar aantallen aanbieders per globale productsoorten en producttypes in de markt. Vervolgens heeft de AFM ervoor gekozen om deze grenswaarden pragmatisch vast te stellen, “zodat enerzijds de grenswaarde niet zodanig laag is dat deze geen onderscheidende waarde heeft voor de bepaling van onafhankelijkheid en anderzijds dat deze niet zodanig hoog is dat dit geen/geringe toegevoegde waarde levert aan de kwaliteit het advies, terwijl het wel nalevingskosten met zich meebrengt. Voor de verschillende adviesvragen, is het richtpunt om circa 60% van het totaal aantal aanbieders in beschouwing te nemen met een maximum aantal van 20.”

Consultatie wijzigingen Nadere regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft

Als gevolg van een aantal (toekomstige) wijzigingen in het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen (BGfo), moet ook de Nadere regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (Nrgfo) worden aangepast. De Autoriteit Financiële Markten (AFM) consulteert daarvoor de vernieuwde Nrgfo. De wijzigingen hebben betrekking op het essentiële-informatiedocument, de introductie van de vergelijkingskaart, regels over vermogensscheiding en enkele technische aspecten.De consultatie staat open van 12 oktober tot en met 9 november 2022.

In het BGfo komt te staan dat beheerders van beleggingsinstellingen en instellingen voor collectieve beleggingen in effecten (icbe’s) met ingang van 1 januari 2023 niet langer de essentiële beleggingsinformatie (ebi), maar het Essentiële-informatiedocument (Eid) volgens de PRIIPs-verordening moeten opstellen als zij deelnemersrechten aanbieden aan retailbeleggers. PRIIP staat voor Packaged Retail and Insurance-based Investment Product.

Vergelijkingskaart vervangt dienstverleningsdocument

Een andere wijziging is dat de wetgever de vergelijkingskaart voor financieel dienstverleners wil introduceren. De vergelijkingskaart vervangt het bestaande dienstverleningsdocument. Dat is het informatiedocument dat financieel dienstverleners zoals adviseurs en aanbieders aan consumenten moeten verstrekken. De vergelijkingskaart is voor consumenten een doeltreffender informatiedocument dan het huidige dienstverleningsdocument.

Ook voert het BGfo een verplichting in voor adviseurs om consumenten of cliënten te informeren of zij op afhankelijke dan wel onafhankelijke basis adviseren. Mocht de definitieve wijziging van het BGfo afwijken van de consultatie van het BGfo, dan kan dit eventueel ook gevolgen hebben voor de wijziging van de Nrgfo inzake de vergelijkingskaart.

Geen toestemming nodig voor rekening met afgescheiden vermogen

Daarnaast is onlangs in de Wet op het financieel toezicht een ‘rekening met afgescheiden vermogen’ geïntroduceerd als nieuwe mogelijkheid voor beleggingsondernemingen om het geld van cliënten te beschermen. Als een beleggingsonderneming gebruik maakt van een rekening met afgescheiden vermogen, is geen voorafgaande toestemming van de AFM nodig. De Nrgfo dient op dit punt te worden aangepast.

In aanvulling op bovengenoemde wijzigingen vinden ook nog een aantal technische aanpassingen plaats in de Nrgfo.Reactie op de consultatie ontvangt AFM graag per e-mail op nrgfo@afm.nl.

Bronnen AFM  en VVP