Uit nieuw onderzoek van Marsh blijkt dat organisaties hun aanpak van klimaatadaptatie verbreden en versterken naarmate ze meer ervaring opdoen met extreem weer. Er blijven echter aanzienlijke hiaten bestaan in formele strategieën, veerkracht op systeemniveau en de vertaling van investeringen in adaptatie naar verzekeringsresultaten.
De ‘Climate Adaptation Survey 2026’ van Marsh analyseert de reacties van meer dan 120 organisaties wereldwijd en biedt belangrijke inzichten in hoe zij omgaan met veranderende klimaatrisico’s. Volgens het onderzoek heeft 43% van de respondenten de afgelopen drie jaar te maken gehad met schades en/of verstoringen door extreem weer, waarbij 60% melding maakte van gevolgen door meerdere soorten gevaren. Vergeleken met de resultaten van 2025 bleven overstromingen het grootste risico (62%), terwijl hittestress steeg naar de tweede plaats (36%), vóór waterschaarste (34%) en tropische stormen (25%).
Amy Barnes, Head of Climate and Sustainability Strategy en Global Head of Energy & Power bij Marsh: “De kans die 2026 biedt, is het dichten van de kloof tussen risicoanalyse en actie door risico-inzichten te koppelen aan bedrijfscontinuïteit, kapitaalplanning, operationele beslissingen en verzekeringsstrategie. Organisaties bewegen duidelijk de goede kant op: ze brengen meer risico’s in kaart, maken vaker gebruik van kwantitatieve analyses en kijken verder dan hun eigen bedrijfsmiddelen naar de systemen waarvan ze afhankelijk zijn. De volgende stap is om deze inzichten om te zetten in gefinancierde, meetbare adaptatiestrategieën – en om de resultaten duidelijk te communiceren, zodat investeringen in veerkracht kunnen bijdragen aan betere risico- en verzekeringsresultaten.”
Praktische stappen voor veerkracht lopen voor op erkenning door verzekeraars
Organisaties nemen praktische maatregelen, met name op het gebied van bedrijfscontinuïteit en fysieke veerkracht. Meer dan de helft (54%) geeft aan de planning voor bedrijfscontinuïteit te hebben verbeterd, terwijl 40% meldt te investeren in technische aanpassingen aan bedrijfsmiddelen, zoals waterkeringen. Slechts 26% stelt dat hun aanpassingsmaatregelen werden erkend bij verzekeringsonderhandelingen, terwijl 62% van de respondenten zich zorgen maakt dat de beschikbaarheid en/of kosten van verzekeringen voor hun activa de komende vijf jaar zullen verslechteren.
Risicobeoordelingen worden geavanceerder, maar de formele strategieën lopen uiteen.
Uit het onderzoek blijkt dat er een bredere en meer gestructureerde aanpak wordt gehanteerd bij het beoordelen van toekomstige risico’s. Van de organisaties die beoordelingen uitvoeren, houdt 87% rekening met meerdere soorten gevaren; dit weerspiegelt de realiteit dat de gevolgen van klimaatverandering zelden op zichzelf staan. Het onderzoek wijst uit dat 77% van de organisaties die risico’s beoordelen, nu een combinatie van kwalitatieve en kwantitatieve methoden gebruikt. Dit is een toename ten opzichte van het onderzoek uit 2025, toen slechts 52% van de organisaties deze aanpak hanteerde. Bij het beoordelen van risico’s kijken organisaties verder dan hun eigen activa en betrekken ze ook de systemen waarvan ze afhankelijk zijn: kritieke infrastructuur stond op de derde plaats in de reikwijdte van de beoordeling in 2026 (tegenover de vijfde plaats in 2025), terwijl leveranciers stegen van de zesde naar de vijfde plaats.
Een bemoedigende bevinding uit de resultaten van 2026 is dat de kwaliteit van de beoordelingen zich begint te vertalen in actie: de meerderheid van de organisaties (78%) overweegt of ontwikkelt momenteel aanpassingsstrategieën, en een kwart (26%) beschikt al over een formeel plan. Dit betekent echter ook dat 22% van de organisaties geen bekend aanpassingsplan heeft; hoewel er duidelijk vooruitgang wordt geboekt, is er dus nog aanzienlijk werk te verzetten.
Marsh adviseert organisaties zich te richten op vijf prioriteiten:
- Het modelleren van de gecombineerde effecten van acute en chronische gevaren.
- Het beoordelen van kwetsbaarheden en afhankelijkheden op zowel activa- als systeemniveau.
- Het opstellen van meetbare aanpassingsplannen.
- Het vastleggen van verbeteringen in veerkracht op een manier die gedeeld kan worden met verzekeraars en kapitaalverschaffers.
- Samenwerken met overheden, infrastructuurbeheerders, gemeenschappen en sectorgenoten om risico’s aan te pakken die de grenzen van de eigen organisatie overstijgen.








