De brutowinst voor belasting van niet-financiële vennootschappen kwam in het tweede kwartaal van 2026 uit op 93,2 miljard euro. Dat is 5,1 miljard euro meer dan in het tweede kwartaal van 2025. De toename komt doordat de operationele winst hoger was dan een jaar eerder. Dat meldt het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) op basis van nieuwe, voorlopige cijfers.
De operationele winst (inclusief niet-productgebonden subsidies) kwam in het tweede kwartaal van 2026 uit op 70,4 miljard euro. Dat is 5,2 miljard euro meer dan in het tweede kwartaal van 2025. De winst van buitenlandse dochters was echter 0,2 miljard euro lager. De overige winst van niet-financiële bedrijven was een fractie minder negatief dan een jaar eerder.
| Brutowinst niet-financiële vennootschappen voor belasting, 2e kwartaal | ||||
| Operationele winst exclusief niet-productgebonden subsidies (mld euro) | Niet-productgebonden subsidies (mld euro) | Winsten van buitenlandse dochters (mld euro) | Overige winst (geconsolideerd) (mld euro) | |
| 2022 | 51,3 | 4,6 | 33,4 | -1,7 |
| 2023 | 55,4 | 3,1 | 22,2 | -0,7 |
| 2024 | 58,3 | 3 | 18,7 | -1,2 |
| 2025 | 62,1 | 3,1 | 24 | -1 |
| 2026 | 67,2 | 3,2 | 23,8 | -1 |
Minder belasting, meer investeringen en dividend
Over de winst betalen bedrijven belasting, zoals de vennootschapsbelasting. In het tweede kwartaal van 2026 betaalden de niet-financiële bedrijven 2,1 miljard euro minder belasting dan in het tweede kwartaal van 2025.
De winst na betaling van de belastingen kunnen bedrijven aanwenden voor investeringen en besparingen, of voor dividenduitkeringen aan aandeelhouders. De niet-financiële bedrijven hebben 2,7 miljard euro meer geïnvesteerd dan in het tweede kwartaal van 2025. Ook hebben ze 0,6 miljard euro meer dividend uitgekeerd (geconsolideerd) dan in het tweede kwartaal van 2025.
Winstquote hoger
De winstquote, de operationele winst als percentage van de toegevoegde waarde, was met 37,5% in het tweede kwartaal van 2026 hoger dan hetzelfde kwartaal van 2025 (36,9%). De operationele winst groeide sterker dan de toegevoegde waarde (het verschil tussen productie en verbruik van energie, materialen en diensten).








