Na 30 jaar hereniging liggen verzekeringsdichtheid voormalig Oost- en West-Duitsland dicht bij elkaar

Zelfs 30 jaar na de hereniging zijn de economische verschillen tussen Oost- en West-Duitsland op veel plaatsen nog altijd voelbaar. Als het echter om verzekeringsdekking gaat, liggen het voormalige Oost- en West-Duitsland zeer dicht bij elkaar, zo blijkt uit een analyse van het Duitse Verbond van Verzekeraars GDV. Van de acht onderzochte verzekeringsbranches verschilt  de penetratiegraad van verzekeringen tussen ‘West’ en ‘Oost’ (incl Berlijn) slechts bij twee meer dan 5%; ongevallenverzekeringen (40 vs 51%) en inboedelverzekeringen  (74% vs 84%). Overigens is de verzekeringsdichtheid bij de meeste schadeverzekeringen het hoogst in het voormalige ‘DDR”  en die voor levensverzekeringen en pensioenen daarentegen in het vroegere West-Duitsland.

    In beide regio’s gezamenlijk is de verzekeringsdichtheid het hoogst bij AVP-verzekeringen (84% vs 80%), gevolgd door autoverzekeringen (82% vs 77%),  en inboedelverzekeringen (74% vs 84%). Op ruime afstand volgen rechtsbijstandverzekeringen (48% vs 44%), particuliere ongevallenverzekeringen (40 vs 51%), kapitaallevensverzekeringen (34% vs 32%),  de zogeheten Riester/Basispensioen-verzekeringen (29% vs 27%) en de Private pensioenverzekeringen (24% vs 20%).

   Er zijn volgens het GDV verschillende mogelijke verklaringen voor de verschillende verzekeringsdichtheden. Zo hebben inkomens- en vermogensverschillen tussen de deelstaten een impact, maar ook demografische factoren. Zo hebben kleinere en / of jongere huishoudens doorgaans minder verzekeringen – in Bremen heeft slechts 28% van de huishoudens een particuliere ongevallenverzekering, in Berlijn (32%) en Hamburg (34%).  

In Oost-Duitsland heeft de soms hoge verzekeringsdichtheid ook historische redenen. Zo zullen sommige verzekeringscontracten van de voormalige Deutsche Versicherungs-AG van de DDR waarschijnlijk blijven bestaan ​​voor inboedel- en ongevallenverzekeringen. De GDV-evaluatie van verzekeringsdichtheden is gebaseerd op de steekproef van inkomsten en uitgaven (EVS) van het Federaal Bureau voor de Statistiek, waarvoor 60.000 huishoudens werden ondervraagd.