Oudere woningen, lagere inkomens en huishoudens met kinderen hangen onder andere samen met een grotere kans op een gemelde woningbrand. Dat blijkt uit onderzoek van het NIPV naar de kenmerken van huishoudens en woningen die verband houden met woningbrandmeldingen in Nederland. De onderzoeksresultaten bieden globale aanknopingspunten voor gerichte brandpreventie, met bijzondere aandacht voor kwetsbare groepen en woningtypen met een verhoogd risico.
Voor het onderzoek zijn nationale gegevens over brandincidenten uit 2022 van het Geïntegreerd Meldkamer Systeem (GMS) gekoppeld aan microdata van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). In totaal zijn meer dan 7 miljoen huishoudens onderzocht. Bij 5.622 huishoudens werd een woningbrand gemeld. Lees ookWoningbranden in 2025 eisen 26 dodelijke slachtoffers
Kenmerken van de woning
Verschillende woningkenmerken blijken samen te hangen met de kans op een gemelde woningbrand, waaronder het bouwjaar en woningtype. Hoe ouder de woning, hoe groter de kans op een woningbrandmelding. Voor woningen van die vóór 1960 zijn gebouwd was deze kans 2,3 keer zo groot als voor woningen gebouwd vanaf 2000.
Bij woningen die vóór 1960 zijn gebouwd, was de kans op een melding 2,3 keer zo groot als bij woningen uit 2000 of later. Voor woningen uit 1960-1979 was de kans 1,8 keer zo groot en voor woningen uit 1980-1999 1,4 keer zo groot vergeleken met woningen gebouwd vanaf 2000.
Ook het woningtype speelt een rol. In vrijstaande woningen was de kans op een woningbrandmelding 1,9 keer zo groot als in appartementen. Bij twee-onder-een-kapwoningen was deze kans 1,2 keer zo groot. Bij rijtjeswoningen was de kans juist ongeveer 16% kleiner dan bij appartementen.
Ook huishoudkenmerken hangen samen met brandrisico
Woningkenmerken zijn onderzocht, maar ook bijvoorbeeld de verschillende kenmerken van huishoudens. Zo bleken huishoudens met kinderen van 0 tot en met 18 jaar ongeveer 1,3 keer zoveel kans op een woningbrandmelding te hebben gehad als huishoudens zonder kinderen in die leeftijdsgroep.
Huishoudens met lagere inkomens hadden een grotere kans op een woningbrandmelding. Voor de 25% huishoudens met de laagste inkomens was de kans 1,5 keer zo groot als voor de 25% huishoudens met de hoogste inkomens. Voor huishoudens in de daaropvolgende inkomensgroep (26e tot 50e percentiel) was deze kans ongeveer 1,2 keer zo groot. Voor huishoudens tussen het 51e en 75e inkomenspercentiel was er geen aantoonbaar verschil met de hoogste inkomensgroep.
Ook zorgafhankelijkheid, wanneer ten minste één persoon gebruikmaakt van Wmo-ondersteuning, wijkverpleging, zorg voor een zintuiglijke beperking en/of een Wlz-indicatie heeft , blijkt samen te hangen met een hogere kans op een woningbrandmelding: bij huishoudens met volwassenen jonger dan 40 jaar was deze kans twee keer zo groot als bij vergelijkbare huishoudens zonder zorgafhankelijkheid. Deze samenhang nam af met de leeftijd en was vanaf 65 jaar niet meer aantoonbaar.
Andere factoren, zoals gedrag, taalbarrières of culturele verschillen, kunnen mogelijk een rol spelen, maar zijn in dit onderzoek niet onderzocht.
Aanknopingspunten
Wat betekenen de resultaten voor brandpreventie? NIPV: “De onderzoeksresultaten bieden globale aanknopingspunten om brandpreventie gerichter in te zetten. Gemeenten, veiligheidsregio’s en brandweerorganisaties kunnen de gevonden risicofactoren betrekken bij het bepalen van preventieprioriteiten en het ontwikkelen van voorlichting voor verschillende doelgroepen.De resultaten laten zien welke huishoudens en woningen relatief vaker met woningbranden te maken krijgen, maar geven nog geen antwoord op de vraag welke preventiemaatregelen het meest effectief zijn.”










