Blog Lector Crisisbeheersing Menno van Duin: Het Bijlmerramp-complot


Lector Crisisbeheersing Menno van Duin kijkt in een drieluik terug op de Bijlmerramp, 30 jaar geleden. In zijn eerste blog staat hij stil bij de complotverhalen rondom deze ramp.”

“Dertig jaar na de Bijlmerramp zijn de complotten van indertijd over deze ramp nog steeds populair. Eén dezer dagen start een vijfdelige serie over het neerstorten van de El Al Boeing die kort na de start van Schiphol neerstortte op een tweetal flats in de Bijlmermeer (4 oktober 1992) waarbij uiteindelijk 43 personen om het leven kwamen.

De serie is niet zozeer gericht op de ramp zelf en de spanningen van de eerste weken, maar zal – als ik de beschrijvingen in de media over deze serie mag geloven – vooral inzoomen op de verhalen die vele maanden tot jaren na de ramp de ronde deden. Iedereen die nu ouder is dan zo 45 jaar zal zich daar nog wel wat van herinneren. Het vrachtvliegtuig zou vol hebben gezeten met wapens en munitie; de exacte route van het toestel na de start zou anders zijn dan aanvankelijk werd aangegeven; direct na de ramp zouden personen van de Israëlische veiligheidsdienst in witte pakken op het rampterrein allerlei spullen hebben weggehaald; alle hulpverleners zouden (als gevolg van de lading) zijn blootgesteld aan chemische en nucleaire stoffen.

Een klein jaar na de ramp kwamen de eerste geruchten en vanaf dat moment doken verschillende journalisten – en later ook het PvdA-kamerlid Van Gijzel – hierop. In de serie staan twee van deze journalisten centraal die zich jaren richtten op al die verhalen en ook het nodige bijdroegen aan al deze geruchten en complottheorieën.

In 1998  was inmiddels zoveel over deze ramp onduidelijk dat een parlementaire enquête helderheid moest gaan bieden. De journalisten die jarenlang al die informatie boven tafel haalden, zagen dit als een succes. Zie je wel dat er het nodige aan de hand was. Uiteindelijk bleef echter weinig over van al deze geruchten en complotten en kwam de commissie – in ieder geval voor deze journalisten – met een ontluisterend rapport. Natuurlijk erkenden de betreffende journalisten niet dat zij fout zaten, maar werd ook deze enquête gezien als onderdeel van die doofpot.

Interessant is dat niet alleen de betreffende journalisten maar ook de regisseur van de serie – onder de noemer van fictie – kennelijk geen afstand kunnen nemen van al die complotverhalen. Het levert vast een spannend programma op. Ook in het Volkskrant-artikel over deze serie (Paul Onkenhout, De Volkskrant, 23 september) worden deze journalisten (Pierre Heyboer en Vincent Dekker die model staan voor de twee journalisten in de serie) nog met alle egards beschreven. Hun vasthoudendheid en doorzettingsvermogen worden geroemd. Mij leert het dat wij kennelijk in die tijd journalisten als Maarten Keulemans misten die wel in staat zijn feit en fictie goed te onderscheiden. Keulemans slaagde er ten tijde van de coronacrisis bijvoorbeeld goed in verschillende angstverhalen en complotten die de ronde deden, te weerleggen.

Kennelijk is het nog steeds moeilijk om in te zien dat deze rampvlucht en de directe nasleep minder spectaculair was dan al deze verhalen suggereerden. Het zal vast een spannende serie opleveren, maar het houdt helaas wel deze complotten in leven.

Menno van Duin, Lector Crisisbeheersing

Lees ook het tweede blog: Ervaringen bij onderzoek van de Bijlmerramp

Blog Lector Crisisbeheersing Menno van Duin: Ervaringen bij onderzoek van de Bijlmerramp

Lector Crisisbeheersing Menno van Duin kijkt in een drieluik terug op de Bijlmerramp, 30 jaar geleden. In deze tweede blog beschrijft hij zijn ervaringen als onderzoeker: de eerste dagen na de ramp.

“Wij zaten die bewuste avond, 4 oktober 1992, aan tafel. Mijn vrouw en ik waren net begonnen aan het avondeten toen een collega van het COT belde dat er in Amsterdam een vliegtuig zou zijn neergestort. Omdat het COT eerder dat jaar onderzoek had gedaan naar de explosie/ramp bij Cindu in Uithoorn, hadden we wat inseinafspraken gemaakt met de Algemene Verkeersdienst van de Rijkspolitie om ter plekke onderzoek te kunnen doen bij crises. Dat betekende dat we vervolgens snel tot actie overgingen.

Vanuit verschillende plaatsen in het land trokken onderzoekers en student-assistenten naar Amsterdam. Zelf reed ik met Uri Rosenthal mee. Hij beschikte indertijd al over een autotelefoon die, met alles erbij, de omvang had van een kleine hutkoffer. Zo onderhielden we in de auto contact met Amsterdam en werden we naar de Bijlmersporthal geleid. Toen we daar tegen tienen aankwamen, bleek Werner Overdijk – toen nog student-assistent bij het COT ‒ al aanwezig en tot onze verrassing ter plekke te zijn gebombardeerd tot een soort van opvangcoördinator.

Die avond zagen we de sporthal volstromen met vooral ‘allochtonen’ – een woord dat in die tijd nog werd gebruikt – maar er klopten ook vele (potentiële) hulpverleners aan. Vele psychologen meldden zich spontaan. De meeste van hen hadden overigens geen enkel idee wat de overlevenden van de ramp of andere ontheemden die eerste uren wensten. Eigenlijk nooit een psycholoog, maar vooral wat warmte, een arm om de schouder, iets te eten en vooral informatie, informatie en informatie.

De dagen erna waren sommigen van ons nog in Amsterdam, maar volgden wij ‒ net als de rest van Nederland – de gebeurtenissen toch vooral via de televisie. De eindeloze beelden van het rampterrein, de indrukwekkende tocht naar de RAI waar een herdenkingsdienst plaatsvond en de veelkleurige vormen van rouw.

Weken later startten wij ons evaluatieonderzoek in opdracht van de gemeente. Sommige van die gesprekken ‒ bijvoorbeeld met Hugo Ernst de brandweercommandant – zal ik nooit vergeten. Brandweermensen zien ‒ ook in de flats in de Bijlmermeer ‒ het nodige, maar spreken hier verder niet over. Ook bij een volgende brand willen ze immers onbelemmerd toegang hebben. Ook boeiend was een gesprek met wethouder Frank de Grave (de eerste locoburgemeester van de stad) die ten tijde van de ramp in het verre buitenland was. Toen hij na een aantal dagen terugkeerde in Amsterdam, had hij dagenlang een achterstand. Hij voelde zich aanvankelijk een buitenstaander; had de ramp niet meebeleefd.

Hoewel wij als COT al wat evaluaties hadden verricht, was dit natuurlijk van een totaal andere orde. Gelukkig hadden we de tijd om niet alleen stukken te lezen en gesprekken te voeren, maar ook om met elkaar observaties te delen en gaandeweg ons een beeld te vormen. We waren dan ook zeer tevreden met het eindresultaat.

Het rapport werd goed ontvangen en de naam van het COT was gevestigd. Uri Rosenthal had een team om zich heen dat van waarde was. Voor ons verdween de ramp echter meer en meer naar de achtergrond, want nieuwe crises dienden zich aan zoals bijvoorbeeld de hoogwatersituaties van 1993 en begin 1995. Maar de Bijlmerramp en vooral de nasleep ervan verdwenen bij anderen helemaal niet uit beeld. Enkele journalisten doken met een ongekende hardnekkigheid op de gebeurtenissen die zich kort na de ramp zouden hebben voltrokken. Hulpverleners zouden zijn blootgesteld aan gevaarlijke stoffen; dat verklaarde dat verschillende van hen ziek waren geworden. Mannen in witte pakken hadden de nacht(en?) na de ramp allerlei belastende informatie op het rampterrein verdonkeremaand.

De hardnekkige zoektocht naar de waarheid en de toenemende onduidelijkheden over wat er nu echt gebeurd was, leidden uiteindelijk in 1998 tot de Bijlmerramp-enquête. Dagenlang volgden velen de verhoren op televisie. Het werd vooral spannend toen iemand met een laadbrief kwam, die schokkende informatie bevatte. Hoge ambtenaren van het verantwoordelijk ministerie van Verkeer en Waterstaat zouden deze informatie ‘onder de pet’ hebben gehouden. Kwalijk was echter vooral dat de enquêtecommissie al vrij snel wist dat het de laadbrief van een ander toestel betrof en dat vervolgens zelf enkele dagen ‘onder de pet hield’.

Zelf had ik in die periode nog een radio-interview met Clairy Polak, die vooral wilde suggereren dat de gemeente Amsterdam nauwelijks was voorbereid op een ramp. Dat werd gaandeweg de ‘tone of voice’ ten tijde van de parlementaire enquête.  Ze noemde het voorbeeld van politiechef Nordholt die in zijn ‘verhoor’ aangaf dat hij op 4 oktober als eerste aankwam bij het beleidscentrum in de Stopera en flink had moeten zoeken naar het licht. Mijn wedervraag of soms in het gemeentelijk rampenplan ook de plaats van de lichtknopjes zou moeten worden opgenomen, werd niet erg gewaardeerd. Relativeringen waren minder welkom.

Hoewel uiteindelijk ook de enquêtecommissie oordeelde dat de rampenbestrijding goed was aangepakt, was de commissie van oordeel dat de gemeente indertijd meer had moeten doen om zekerheid te hebben omtrent de lading en de eventuele aanwezigheid van bepaalde gevaarlijke stoffen aan boord van het vrachtvliegtuig. Achteraf kan dat natuurlijk geconcludeerd worden. Feit is dat het thema van de lading in 1992 geen enkele rol speelde en wij in de gesprekken nooit een woord hierover gehoord hebben (en er ook niet naar hebben gevaagd). De lading was simpelweg een non-issue en achteraf ‒ na uitvoerig onderzoek van de commissie ‒ ook wel weer min of meer begrijpelijk. Er was ook weinig betekenisvols gevonden.

Eén conclusie van de commissie bleef na afloop een heikel punt. De commissie zag een rechtstreeks verband tussen de gezondheidsklachten en de Bijlmerramp. In een motie van wantrouwen werd dat met name minister Borst, in 1999 verantwoordelijk voor Volksgezondheid (maar in 1992 niet!), fors aangerekend. De motie werd maar net overleefd. Feitelijk was het verband vooral indirect. Ook het RIVM had in onderzoek aangegeven slechts een indirecte relatie te zien.

Minister Borst, ten slotte, leerde snel van de motie van wantrouwen. Dat verklaarde ook dat een aantal maanden later bij de vuurwerkramp in Enschede (mei 2000) al na enkele dagen een team van het ministerie van Volksgezondheid zich in Enschede meldde. Er moest op stel en sprong een gezondheidsonderzoek worden gestart en een informatie- en adviescentrum worden ingericht.

Zelfs dertig jaar later biedt de Bijlmerramp nog volop interessante inzichten. Welke lessen zijn er voor mij uit deze ramp te trekken? Ik noem er enkelen:

  • De Bijlmerramp toonde in optima forma de gelaagdheid en de ‘gekleurdheid’ van onze samenleving.
  • Rampen met de omvang van de Bijlmerramp werpen lange schaduwen vooruit; ze houden lang grote attentiewaarde.
  • Evalueren is al snel ook een ‘politieke’ aangelegenheid met veel gevoeligheden; voor een parlementaire enquête geldt dat des te meer.
  • Publicaties van journalisten  krijgen vaak – zeker afgezet tegen de kwaliteit – onevenredig veel aandacht.
  • De (dreigende) ramp na de ramp verdient veel aandacht (maar dan niet zozeer de complotten maar wel het zorgvuldige nazorg-traject) hetgeen vaak lastig blijkt, omdat velen weer willen overgaan op de ‘orde van de dag’.

Menno van Duin, Lector Crisisbeheersing