Fred de Jong (Adviesbureau Fred de Jong) en Björn Bierhaalder (MCH Consutancy| Make Change Happen) hebben een artikel geschreven naar aanleiding van het recente congres van EIOPA ( European Insurance and Occupational Pensions Authority) . Het artikel, dat ingaat, op de impact van regeldruk op middelgrote en kleine verzekeraars, treft u hieronder aan.
Zij lichten hun beweegredenen voor dit artikel als volgt toe: “De Europese Commissie ziet verzekeraars als motor van de grote transities. Kleinere en middelgrote verzekeraars vragen om ademruimte. Beide hebben een punt — maar de dialoog over wat hen verbindt, ontbreekt. Dit artikel is een oproep om dat gesprek te starten.”
Twee gesprekken, één conferentie
“Op 29 januari 2026 vierde EIOPA zijn vijftienjarig bestaan in Frankfurt. Toezichthouders, beleidsmakers en sectorvertegenwoordigers kwamen bijeen om te spreken over de toekomst van verzekeren in Europa. Twee thema’s domineerden het programma.
John Berrigan, directeur-generaal van DG FISMA bij de Europese Commissie, schetste de ambitie van de Savings and Investments Union: een geïntegreerde financiële markt die €10 biljoen aan Europese spaargelden mobiliseert voor klimaat, digitalisering, vergrijzing en defensie. Verzekeraars, zo stelde hij, zijn daarin onmisbaar. Met hun lange termijnverplichtingen, hun brede distributie en hun expertise in risicobeheer slaan zij de brug tussen burgers en productieve investeringen.
Frédéric de Courtois, president van Insurance Europe, benadrukte een andere prioriteit: proportionaliteit en vereenvoudiging. De nieuwe SNCU-classificatie — Small and Non-Complex Undertakings — geeft kleinere verzekeraars ruimte om hun energie te richten op wat er werkelijk toe doet. Beide agenda’s zijn waardevol. Sterker: ze versterken elkaar. De vraag is of we dat gesprek al voeren.
Wat proportionaliteit mogelijk maakt
De stroom aan Europese regelgeving — Solvency II, DORA, IFRS 17, CSRD, CSDDD, duurzaamheidsrapportages — legt druk op vooral kleinere en middelgrote verzekeraars. De verandercapaciteit is beperkt, vaak onvoldoende om alles te absorberen. Elke nieuwe richtlijn concurreert met de dagelijkse operatie. In die context is het proportionaliteitskader niet alleen welkom, maar noodzakelijk.
De herziene Solvency II-richtlijn introduceert een kader dat deze verzekeraars ontlast. Wie onder de €100 miljoen bruto premie blijft en een eenvoudig risicoprofiel kent, maakt aanspraak op verminderde rapportageverplichtingen.
Concreet: de ORSA (Own Risk and Solvency Assessment) verschuift van jaarlijks naar tweejaarlijks. Het Regular Supervisory Report gaat naar eens per drie jaar. Sleutelfuncties mogen gecombineerd. Schriftelijke beleidslijnen vragen om vijfjaarlijkse herziening.
Dit is winst. EIOPA en de nationale toezichthouders hebben ruimte gecreëerd voor verzekeraars om hun compliance-inspanning te verkleinen. De vraag die nu voorligt: wat doen we met de capaciteit die vrijkomt?
Eén antwoord is: hetzelfde doen met minder mensen. Efficiënter werken, kosten verlagen.Een ander antwoord begint met een meer fundamentele vraag.
Het gesprek over proportionaliteit is een gesprek over wat minder moet. Minder rapportages, minder last, minder tijd kwijt aan compliance. Dat is legitiem — en het is een Have To-gesprek. Het gaat over randvoorwaarden.
Daarnaast bestaat een ander gesprek. Een gesprek over waartoe de sector er is. Over wat verzekeraars mogelijk maken. Dat is een Want To-gesprek. Het gaat over betekenis, over de rol die je wilt spelen, over richting. Die twee gesprekken sluiten elkaar niet uit. Maar ze krijgen zelden evenveel aandacht. En daar zit een kans.
De verbinding
Verzekeraars maken ‘durven’ mogelijk. Mensen kopen huizen, starten bedrijven, investeren in de toekomst — omdat er een vangnet is. Die rol is zo vanzelfsprekend dat de sector zelf er zelden over spreekt. Het gesprek gaat over polissen, premies, schadelast. Het gesprek over wat al die polissen mogelijk maken, blijft onderbelicht.
Verzekeraars hebben daarbij troeven in handen die anderen niet hebben. Ze zien langetermijntrends eerder — klimaatschade, arbeidsongeschiktheid, aansprakelijkheid — hun data voorspelt wat er op ons afkomt. Ze beheren kapitaal dat ergens werkt. En ze beïnvloeden gedrag: via premiedifferentiatie, preventie-eisen en polisvoorwaarden raken ze dagelijks de keuzes van miljoenen mensen en bedrijven.
De vraag waar dat kapitaal naartoe gaat — staatsobligaties, vastgoed, of ook klimaatadaptatie en sociale infrastructuur — is een strategische keuze. De Commissie vraagt om een bewustere invulling van die tweede rol. En proportionaliteit creëert de ruimte om erover na te denken. De agenda’s passen bij elkaar — als je ze bij elkaar brengt.
De Europese context
Dit speelt niet in een vacuüm. Europa laveert door een periode waarin oude zekerheden verschuiven. De relatie met de Verenigde Staten vraagt om herdefiniëring. Productieketens vragen om heroverweging. Energievoorziening is strategisch.
Het Draghi-rapport over Europese concurrentiekracht noemt €750-800 miljard aan extra investeringen per jaar tot 2030. Defensie, groene transitie, digitale infrastructuur — de lijstjes zijn bekend. De vraag is waar het kapitaal vandaan komt, nu overheden beperkte begrotingsruimte hebben.
Dit is de context waarin de Europese Commissie naar verzekeraars kijkt. Als partners die mee kunnen bouwen aan Europese prioriteiten.
In de praktijk
Een verzekeraar die investeert in lokale klimaatadaptatie doet precies wat Brussel bedoelt — alleen op kleinere schaal, dichter bij huis. Een verzekeraar die risicodata deelt met de gemeente bouwt aan dezelfde brug tussen financiële sector en publieke doelen.
De vraag is of we die initiatieven herkennen als onderdeel van een groter verhaal. En of we ze verbinden, versterken, zichtbaar maken.
Voor bestuurders en commissarissen helpt het om de eigen praktijk langs een paar vragen te leggen: Waar investeren wij onze reserves, en welke waarde creëren die beleggingen voor onze leden en hun omgeving? Welke kennis hebben wij over risico’s die ook waardevol is voor overheden en samenwerkingsverbanden? Hoe ondersteunen onze premiemodellen gedrag dat schade voorkomt?
Wie begint?
Individuele verzekeraars — zeker de kleinere en middelgrote — hebben de verandercapaciteit niet om dit alleen op te pakken. Ze hebben al moeite om de stroom aan regelgeving bij te houden. Juist daarom is er een rol voor de partijen die wel kunnen opschalen.
Dit vraagt van brancheverenigingen dat zij het gesprek organiseren. De lobby voor minder regels is gelukt. De volgende stap: wat willen leden mét die ruimte? Bundel die energie, maak haar zichtbaar, breng haar in bij Brussel en Den Haag.
Dit vraagt van toezichthouders dat zij hun overzicht inzetten. EIOPA en DNB zien waar verzekeraars experimenteren met nieuwe vormen van waardecreatie. Die kennis delen — goede praktijken zichtbaar maken, vergelijkbare ambities verbinden — past bij de faciliterende rol die zij steeds vaker ambiëren.
En dit vraagt van individuele verzekeraars dat zij het signaal afgeven: wij willen dit gesprek. Bij de eigen branchevereniging, in de eigen netwerken. De beweging begint bij wie er energie voor heeft.
Een uitnodiging
Dit stuk begon met twee gesprekken die in dezelfde zaal gevoerd werden maar elkaar niet raakten. De Commissie die vraagt om verzekeraars als transitiepartner. De sector die vraagt om ruimte.
De verbinding is er. Proportionaliteit creëert ruimte. De transitieagenda geeft richting aan wat je met die ruimte doet. Wat ontbreekt is het gesprek dat beide verbindt.
De oproep is concreet: brancheverenigingen, organiseer dat gesprek. Toezichthouders, faciliteer het. Verzekeraars, geef het signaal af dat jullie er klaar voor zijn. Omdat het past bij wat verzekeren is: samen risico’s dragen, zodat iedereen durft.”













