Pensioenthermometer Aon: Dekkingsgraden pensioenfondsen stijgen ook in januari licht  

 

De indicatieve gemiddelde dekkingsgraad van de Nederlandse pensioenfondsen is in januari gestegen naar 130%. Een stijging van de aandelenkoersen is de belangrijkste oorzaak van de toename van de dekkingsgraad. De indicatieve beleidsdekkingsgraad, gebaseerd op de gemiddelde dekkingsgraad van de afgelopen twaalf maanden, steeg in januari naar 124%. Dat blijkt uit de Pensioenthermometer van Aon, die dagelijks de hoogte van de gemiddelde dekkingsgraad bijhoudt.

Wederom sterke maand voor aandelen
De marktontwikkelingen in januari werden gedomineerd door spanningen rond handel, tarieven en geopolitiek. De herhaalde Amerikaanse belangstelling voor een overname van Groenland was hierbij een opvallend thema. Tegelijkertijd dreigde Trump met forse handelstarieven richting landen die de Amerikaanse lijn niet volgen, al is een eerdere dreiging van 10%-tarieven op tegenstanders van de Groenland-deal weer ingetrokken. Olieprijzen liepen flink op, zeker tijdens spanningen in Iran, en blijven een potentiële bron van inflatieschokken. De prijs van goud liep op naar recordniveaus boven 5.000 dollar.

Bij de centrale banken bleef het beleid voorlopig overwegend onveranderd. De Fed wordt niet geacht op korte termijn de rente te verlagen, mede doordat de Amerikaanse kerninflatie weliswaar iets meeviel, maar niet genoeg is voor een snelle ommezwaai. Fed-voorzitter Powell ligt politiek onder vuur, wat de druk op de onafhankelijkheid van de Amerikaanse centrale bank vergroot. Dit droeg bij aan een daling van de Amerikaanse dollar tot 1,20 ten opzichte van de euro.
De macrodata schetsten een gemengd beeld. In de VS zijn de payrolls zwak, desondanks blijft de werkloosheid laag. Tegelijkertijd wijzen hoge BBP-ramingen en stevige woning- en vertrouwensindicatoren nog op groei; In de eurozone blijven de inkoopmanagersindices verdeeld, met sterke activiteit in Spanje en vlakke groei in Frankrijk. China haalt de officiële groeidoelstelling, maar de vastgoedzwakte en tegenvallende consumptie benadrukken de noodzaak van verder monetair en vooral fiscaal beleid.

Het jaar 2026 is sterk begonnen, vooral in opkomende markten en commodities. Al met al blijven risicovolle beleggingen goed liggen, ondanks politiek rumoer en toenemende onzekerheid. Aandelen van opkomende markten en commodities stegen deze maand 9%, terwijl aandelen in ontwikkelde markten slechts 2% rendement behaalden. In de eurozone daalde de rente, waardoor de vastrentende waarde portefeuille 2,0% toenam. Zo behaalde bedrijfsobligaties een rendement van 0,8% door de dalende risicopremie. Het totaalrendement van de portefeuille bedroeg 1,9%.

Rendementen voor beschikbare premieregelingen echter lager 
De rendementen voor beschikbare premieregelingen (DC-regelingen) lagen onder het niveau van 1,9% en varieerden tussen de 1,4% en 1,8% voor alle leeftijdscohorten.
De rendementen zijn hieronder weergegeven voor alle leeftijden tot 68 jaar. Dit geldt voor lifecycles met een vaste uitkering vanaf de pensioendatum en lifecycles met een variabele uitkering, waarbij ook na de pensioendatum wordt belegd.

 

Alle deelnemers behaalden een positief rendement. Oudere deelnemers die kiezen voor een vaste uitkering behaalden minder rendement dan de deelnemers die na pensionering willen blijven beleggen. Dit komt doordat bij een vaste uitkering het risico in de laatste jaren sterker wordt afgebouwd en daardoor minder in aandelen wordt belegd.

Rente gedaald, verplichtingen en vermogen gestegen in januari
In januari daalde de risicovrije rente over de eerste 30 jaar met gemiddeld zes basispunten. Voor de langere looptijden daalde de rente nog meer. De Ultimate Forward Rate (UFR), waarmee pensioenfondsen de waarde van hun toekomstige verplichtingen berekenen, kwam uit op 2,4%. Door de rentedaling nam de waarde van de verplichtingen toe met ongeveer 1,5%. Dit, in combinatie met een stijging van het vermogen in januari, leidde tot de dekkingsgraad van 130%.

AOW-leeftijd vanaf 2033 direct gekoppeld aan levensverwachting
Het kabinet heeft aangekondigd dat de AOW-leeftijd vanaf 1 januari 2033 rechtstreeks gekoppeld wordt aan de stijgende levensverwachting, zoals vastgelegd in het coalitieakkoord ‘Aan de slag’. Worden Nederlanders gemiddeld ouder, dan gaat de AOW-leeftijd mee omhoog.

Voor mensen die in de nabije toekomst met pensioen gaan, heeft dit geen gevolgen: hun geplande AOW-leeftijd blijft ongewijzigd. “Voor jongere generaties en werknemers die nog ver van hun AOW-datum afstaan, kan de aanpassing er wel toe leiden dat zij langer moeten doorwerken dan nu het geval is”, zegt Frank Driessen, Director Wealth, Aon Nederland.Om inzichtelijk te maken wat de nieuwe systematiek per generatie betekent ten opzichte van de huidige systematiek, is hieronder een grafiek opgenomen. Deze vergelijkt de verwachte AOW-leeftijd op basis van beide systematieken voor de komende jaren. Te zien is dat wezenlijke verschillen pas gaan ontstaan vanaf 2033.

 

 

 

 

“Een sterkere verhoging van de AOW-leeftijd zal ertoe leiden dat het aandeel werknemers boven de 65 jaar de komende decennia steeds groter wordt. We gaan in de toekomst naar een 50-jarige loopbaan; dit betekent dat we anders naar loopbanen en carrière moeten gaan kijken. Voor werkgevers wordt het steeds belangrijker om hier nu al goed op te anticiperen”, volgens Driessen. Denk bijvoorbeeld aan de impact op het ziekteverzuim, met name voor zware beroepen, de gevolgen voor de doorgroei(on)mogelijkheden voor werknemers en de druk op de productiviteit. Werkgevers zullen moeten inzetten op het bieden van meer flexibiliteit qua werkomstandigheden maar ook qua financiële mogelijkheden zoals het faciliteren van bijsparen en deeltijdpensioen. Kortom, het inspelen op het bieden van juiste oplossingen en faciliteiten voor de combinaties van pensioen, zorg, verzuim, loopbaanontwikkeling en inkomen wordt voor werkgevers steeds belangrijker.

Bevriezing fiscaal maximum pensioengevend salaris voor hoogste inkomens
In Nederland geldt een wettelijk maximum voor het pensioengevend salaris van 137.800 euro. Over het salarisdeel boven dit bedrag kan in de tweede pijler (via de werkgever) geen fiscaal gefaciliteerd aanvullend pensioen worden opgebouwd. Dit maximum wordt volgens de plannen van het nieuwe kabinet tot 2033 gehandhaafd, wat betekent dat dit maximum niet automatisch meestijgt met de loon- of prijsontwikkeling. Met deze maatregel beoogt het nieuwe kabinet extra belastinginkomsten te verkrijgen.

Overgang pensioenfondsen naar nieuwe pensioenstelsel
Per 1 januari 2026 zijn 24 pensioenfondsen overgegaan naar het nieuwe pensioenstelsel, waaronder de pensioenfondsen voor werknemers in de zorg en werknemers in de bouwsector. In totaal zijn er nu 30 pensioenfondsen ingevaren in het nieuwe stelsel. Deze 30 pensioenfondsen vertegenwoordigen ongeveer een derde van het totaal belegd vermogen in de pensioensector. Vóór 1 januari 2028 zal voor de overige pensioenregelingen in Nederland de overstap gemaakt worden naar het nieuwe pensioenstelsel.

De politiek ziet nu geen reden om extra transitietijd te geven voor de pensioentransitie, ook niet vanwege het stoppen van Visma Idella als pensioenuitvoerder. De einddatum van 1 januari 2028 blijft voorlopig haalbaar, al wordt de komende periode cruciaal voor zowel verzekeraars als pensioenfondsen. Bij verzekerde regelingen ligt de spanning vooral bij de beperkte capaciteit van adviseurs, waardoor werkgevers zich snel moeten melden om op tijd hun regeling om te zetten. “De pensioenfondsen zijn al geruime tijd bezig om tijdig de overstap te kunnen maken naar het nieuwe pensioenstelsel”, zegt Frank Driessen, Director Wealth, Aon Nederland. “Veel werkgevers met verzekerde regelingen kijken nog vaak de kat uit de boom. Deze werkgevers zullen ook spoedig de transitie naar het nieuwe stelsel in gang moeten zetten en met een adviseur om tafel moeten, om nog op tijd de zaken te kunnen regelen.”

DNB scherpt verwachtingen aan rond onderbouwing transitiekeuzes pensioenfondsen
De Nederlandsche Bank (DNB) constateert dat in veel invaardossiers de gemaakte transitiekeuzes en de daaruit volgende transitie-effecten nog onvoldoende zijn onderbouwd. Uit de toezichtpraktijk blijkt dat expliciete, richtinggevende en scherp geformuleerde transitiedoelstellingen sterk bijdragen aan een betere motivering van de evenwichtige belangenafweging door pensioenfondsen.

DNB geeft aan dat pensioenfondsen er daarom rekening mee moeten houden dat de toezichthouder al in een vroeg stadium van het beoordelingsproces in gesprek zal gaan over de transitiedoelstellingen van het fonds. Daarnaast blijft de focus van DNB op de borging van de plausibiliteit van de berekende transitie-effecten onverminderd van kracht.

“Pensioenfondsen staan voor ingrijpende keuzes met grote impact op deelnemers,” zegt Frank Driessen, Director Wealth, Aon Nederland. “Heldere transitiedoelstellingen en een robuuste onderbouwing van de transitie-effecten zijn essentieel om aan te tonen dat de belangen van alle groepen deelnemers evenwichtig zijn afgewogen. DNB maakt met deze aanscherping duidelijk dat zorgvuldigheid en transparantie geen bijzaak zijn, maar randvoorwaarde voor een verantwoorde overgang.”